Interview met Ben Seghers over zijn bipolaire aandoening

Met Ben Segers, bekend van ‘Wat als?’, is het altijd lachen. Zou je denken. Soms is dat ook zo, soms helemaal niet. Met zijn vriendenclub Olympique Dramatique toont hij zich nu van een andere kant. Op scène gaat het, net zoals in zijn hoofd, over ‘de pijn van het zijn’.Ben Segers: twee polen, altijd op zoek naar evenwicht.

Twee volle seizoenen wachten was het, voor Ben Segers nog eens op een theaterscène stond te blinken. De voorbije jaren gaf de acteur de voorkeur aan de camera. Naast zijn rollen in Code 37 en De Ronde, werden vooral zijn typetjes in “Wat als?” gesmaakt door het brede publiek. ‘Rode vlag of niet, de Patrick gaat zwemmen’, de catchline in één van zijn sketches groeide uit tot een YouTube-hit.

“Groot was mijn verbazing toen ik op Rock Werchter plots stickers, T-shirts en spandoeken zag met die quote van ‘de Patrick’. Succes, en vooral al het gedoe daarrond. Het is best fijn, maar ik begrijp het niet altijd even goed. Eigenlijk wil ik vooral spelen. Gewoon spelen.”

“Gewoon spelen, dat lijkt me nog het leukst onder vrienden.”Toch heeft het een tijdje geduurd voor je nog eens met de makkers van Olympique Dramatique het repetitiekot indook.

 “Tja, maar dat was nooit een bewuste keuze, die langere pauze lag eerder aan de individuele agenda’s, aan uiteenlopende goestingen. Geert (Van Rampelberg) en ik zijn de laatste jaren vaker geneigd om voor televisie en film te kiezen, terwijl Tom (Dewispelaere) en Stijn (Van Opstal) zich steeds steviger in theater vastbijten. Verder is onze oorspronkelijke kern met de jaren ook uitgegroeid tot een halve familie. Koen de Graeve, Wouter Hendrickx, Jantje Bijvoet, zij horen evenzeer bij de bredere ploeg die Olympique anno 2012 is.”

Het klikt nog als vanouds tussen jullie?

 “Zeker en vast. Al hangen we lang niet meer elke avond met mekaar aan de toog, tijdens een repetitieproces vinden we mekaar nog altijd blindelings. Onze band blijft. Sterker nog: we ontdekken nog elke keer nieuwe aspecten in elkaar, dingen die we van mekaar nog niet kenden.”

 Met de halfvergeten schrijver Roger Van de Velde kiezen jullie niet voor de vrolijkste inhoud. De man kende, wat je noemt: een tragische levensloop.

“Zijn verhaal boeide ons: Van de Velde was oorspronkelijk journalist, veelzijdig en goed in zijn vak, al sukkelde hij wel met een drankprobleem. Maar daarmee was hij geen uitzondering in de journalistieke kringen van de jaren 50. Hij was ook maagpatiënt en raakte verslaafd aan Palfium. Een pijnstiller die ondertussen reeds lang van de markt is gehaald omdat je er hallucinaties van kreeg. Om zijn dagelijkse dosissen te bemachtigen, begon hij doktersvoorschriften te vervalsen en belandde hij daardoor in de gevangenis. Hij liet zich op advies van zijn advocaat ontoerekeningsvatbaar verklaren, maar dat bleek geen geniale zet. Daardoor pendelde hij de rest van zijn dagen tussen gevangenissen en psychiatrische instellingen. In die periode schreef hij zijn beste werk, al moest dat clandestien gebeuren. Toen hij eindelijk vrijkwam, werd hij korte tijd later op een Antwerps terras dood teruggevonden.”

 Zoals gezegd, niet de vrolijkste inhoud.

 “Klopt, maar daarom gaan wij nog niet de zware toer op. Wij blijven wie we zijn. Zonder de inherente tragiek te schuwen, zetten we dat verhaal echt wel naar onze hand. We zeggen over hem wat moet gezegd worden, maar dat neemt niet weg dat er mag gelachen worden. We springen naar gewoonte heel vrij om met het tekstmateriaal en vinden zo wel weer de nodige ingangetjes om onze gebruikelijke humor en stoutigheid in zijn verhaal binnen te smokkelen.”

 Altijd lachen, de miserie van een ander …

 “Nee, zo zwart-wit zijn we nu ook weer niet. Via ‘s mans levensloop proberen we bredere thema’s aan te boren, we trekken zijn verhaal open. We hebben in ons werkproces veel gelezen over opsluiting en gevangenschap, over eenzaamheid en onrecht in de breedste zin. Daar gaat Van de Velde over.”

 Er sluipt dan toch een grotere sérieux in de Olympique-rangen?

 “Halfweg de dertig is iedereen toch een beetje een andere mens geworden dan op zijn vijfentwintig? Al staan we daar niet dagelijks bij stil, het lijkt me logisch dat we geëvolueerd zijn. Elk van ons heeft een gezin, er zijn verantwoordelijkheden waar we nu rekening mee houden. Bovendien zijn wij allemaal heel verschillende mensen, dat is altijd zo geweest, maar met het ouder worden valt het ons soms harder op. Door het uiteenlopende parcours en de afzonderlijke ervaringen groeien die verschillen ook. In die zin evolueert ons collectief ook, maar dat hoeft daarom geen slechte zaak te zijn.”

 Sta je nu in het leven waar je tien jaar geleden van droomde?

 “Ik ben nooit iemand geweest met een strak plan in het leven, of met een heldere toekomstvisie. Ik ben ook nooit een grote dromer geweest. Ik stel gewoon al heel mijn leven vast dat ik de dingen die ik doe, graag doe. Ik ben blij dat ik sta waar ik sta. Ik ben een speler en ik speel grààg, maar… (aarzelt) Ik vind dat spelen ook weer lang niet alle dagen even makkelijk.”

Ben je een twijfelaar?

 “Zeker. Weet je, als mensen mijn kop zien, zie ik ze al denken: ‘Ha, daar is Ben, het zal weer lachen worden’. Soms is dat zo, maar soms ook niet. Mensen zien mij vaak als de plezante, onbezorgde speelvogel, maar ik heb ook andere dagen.”

 Kwaaiere dagen.

“Het ligt er enorm aan. Een aantal jaar geleden ontdekte ik dat ik een bipolaire stoornis heb. Sindsdien merk ik ook dat ik daar heel fel mee bezig ben. Dat ik mij afvraag hoe ik daarmee moet omgaan. Enfin, het is in mijn geval allemaal heel leefbaar, maar soms zijn er dus ook heftige periodes.”

 Zoals nu?

 “Ja, zoals nu. Het meest verschrikkelijke vind ik nog: je voelt je slecht, maar je kan niet uitleggen waarom dat zo is. Het voelt ook altijd anders, en daardoor sla ik in paniek. Dan vraag ik mij af: hoe moet ik hier weer uitgeraken? Met de jaren begin ik te begrijpen dat het met tijd en rust te maken heeft. Tijd, (zucht) er moet altijd tijd over gaan. Het kan zijn dat ik mij over een week weer kiplekker voel.”

 Is dat ook een van de redenen waarom je even van het toneel verdween, letterlijk dan?

“Dat speelde zeker mee, bij opnames voor televisie kun je sneller de knop afzetten. Je komt ‘s avonds thuis en het werk is gedaan. Bij repetitieperiodes voor theater moet je een pak dieper gaan, je smijt jezelf met alles wat je hebt. Vier jaar geleden – we maakten De kollega’s voor ‘t Arsenaal – merkte ik voor het eerst dat ik de pedalen dreigde te verliezen. Daar ben ik toch van geschrokken. Ik probeer nu meer controle te houden over hoe ver ik kan gaan, zonder te verglijden in zelfdestructie.”

 De collega’s, dat was toch helemaal jouw ding?

 “Ik had dat idee aangereikt aan Michael De Cock (regisseur en artistiek leider bij ‘t Arsenaal, SD). Ik verzamelde een bende vrienden-collega’s rond mij en had er bakken goesting in. Maar door die grote betrokkenheid voelde ik een al even grote verantwoordelijkheid voor het welslagen van die productie. Ik stak dan ook massa’s energie in de repetities: ik werkte mij uit de naad, spuide het ene idee na het andere, geen moeite was mij teveel. Achteraf moest ik vaststellen dat ik mezelf tijdens die maanden heb uitgeput. Letterlijk, want ik vermagerde ook heel fel. Op een gegeven moment voelde ik: het is op. Ik kon eenvoudigweg niet meer spelen. De laatste voorstellingen van de tournee heb ik niet meer gehaald.”

 Toen ben je voor ‘t eerst naar een dokter gestapt?

 “In die weken ben ik in een zeer diep dal beland, artistiek, maar ook privé: ik wist het even niet meer. Toen voelde ik echt: ‘Ben, je moet daar over klappen, je mag daar niet mee blijven zitten’. Toen heb ik een afspraak met een psychiater gemaakt. Het theaterseizoen was gelukkig net voorbij, ik had tijd om tot rust te komen.”

 Erover praten hielp.

 “Erover praten met iemand die begreep wat ik zei, dàt hielp. Maar ik ben er niet zomaar uitgeraakt, ik kreeg ook medicatie voorgeschreven.”

 Schrok je van de diagnose, of vermoedde je al langere tijd dat er iets scheelde?

 “Je gaat natuurlijk met andere ogen naar je eigen verleden kijken. Ik herinner mij dat ik me jaren geleden, tijdens mijn opleiding aan Studio Herman Teirlinck, ook een hele periode rotslecht voelde. Mensen rond mij zagen dat toen ook wel, maar dat werd dan afgedaan met: ‘Ben heeft even een moeilijke periode op school’. Zo dacht ik er trouwens zelf ook over. Achteraf gezien, denk ik dat er toen al iets aan de hand was. Maar het is altijd zo moeilijk te benoemen. Ik dacht: mensen met kanker, die mogen klagen. Ik vond dat ik zelf geen geldige reden had om depressief te zijn. Die vlagen van zware neerslachtigheid kwamen ongeveer om de twee jaar terug, maar in de jaren daartussen was ik altijd weer één en al vrolijkheid. Tot de onverklaarbare duisternis weer viel.

 De laatste tijd ben ik veel beginnen lezen over bipolariteit, omdat ik inzicht wil krijgen in de mechanismen van de stoornis. Ik merk nu dat het simpelweg zo werkt: ik werd altijd té vrolijk, en van de weeromstuit stortte ik in een peilloos diepe put.”

 Had je als kind ook al last van stemmingswisselingen?

 “Die vraag stel ik de laatste jaren ook regelmatig aan mijn moeder. Maar als ik eerlijk ben, weet ik het antwoord zelf wel. Als kind kon ik heel erg alleen met mezelf bezig zijn. Boven, op mijn kamer, met mijn cassettebandjes die ik van tv opnam. Ha, van De collega’s onder andere. Uren kon ik mij amuseren met het mixen op de mengtafel van mijn broer. Die zolderkamer was mijn atelier, mijn wereld. Daar liet iedereen mij gerust. Daar stak ik toneeltjes in elkaar, daar namen de ideeën een hoge vlucht. Althans in mijn hoofd, want als ik ze dan naspeelde met vrienden en neefjes was ik ook weer snel teleurgesteld. Dat lag niet zozeer aan hen. De realiteit beantwoordde dan gewoon niet aan de constructies in mijn kop.”

 Acteur Stephen Fry stelde in zijn documentaire The Secret Life of the Manic Depressive meerdere celebrities met die stemmingstoornis voor een keuze: indien de mogelijkheid bestond om je aandoening uit te schakelen met een simpele druk op een knop, zou je die knop dan daadwerkelijk indrukken?

 “Hm, interessante vraag, en wat was hun antwoord?”

Opvallend veel kunstenaars weigerden, omdat ze vreesden dat daarmee ook de creatieve hoogtepunten zouden verdwijnen.

 “En dus nemen ze die dieptepunten er gratis bij? De stoornis komt natuurlijk voor in verschillende gradaties. Ik heb geen zulke extreme uitspattingen, simpel samengevat: mijn ups zijn minder intens dan mijn downs. Ik geloof ook niet dat de stoornis mij een beter acteur maakt. Ik druk die knop dus onmiddellijk in, zonder twijfel. Ik zou veel liever door een emotioneel vlakker landschap lopen. Maar goed, het blijft een fictieve vraag natuurlijk, in realiteit helpt medicatie ook al een heel stuk. Ik heb drie jaar geleden aanvaard dat ik zo  ben, ik besef dat ik mij daarmee tevreden moet stellen. Van daaruit moet ik verder.”

 Praat je, net zoals Fry, over je stoornis om ze uit de taboesfeer te halen?

 “Ik heb er ondertussen geen problemen mee om mijn verhaal te doen, eenvoudigweg omdat het geen schande is. Maar ik ben er ook de mens niet naar om op café te gaan zitten en aan jan en alleman te verkondigen: ‘Moet je nu eens wat weten? Ik voel mij niet goed’. Al kan ik dat soms moeilijk verstoppen. Maar praten lucht enorm op, of erover schrijven.”

 Voor De geruchten (2008) schreef je zelf een stukje monoloog. Jouw personage zei: “Ik kan niet meer lachen.”

 “Dat gebeurde in samenspraak met Guy Cassiers. Hij wilde echt dat ik eens een meer dramatische figuur neerzette. Ik heb toen inderdaad aan Guy gevraagd of ik de monoloog van René Catrijsse zelf mocht schrijven. Hoewel het een hele zoektocht was, vond ik dat een aangename ervaring. Ineens stond het allemaal op papier. Ik herinner mij dat ik zelf ook niet meer kon lachen in die periode. Of ik kon de dingen alleszins niet meer relativeren, daar was ik mij toen ook al wel van bewust. Dat gevoel heb ik dan nagespeeld op scène. Bij momenten was het een loodzware opdracht, maar hoe vaker ik het speelde, hoe fijner het voelde. Het werd bijna een vorm van therapie. Dat is nu met Van de Velde misschien ook wel aan de hand.”

 Je herkent je deels in zijn verhaal?

 “De voorstelling gaat wat mij betreft – dat geldt wellicht ook voor de anderen – over het alleen staan in de wereld, over worstelen met jezelf in een verwarrende samenleving. Over gejaagdheid, over angst om uit de bocht te vliegen in deze hectische draaimolen. Over de liefde, hoe ga je om met de liefde? En wat als je gevoelens geen gehoor krijgen? Het gaat over afscheid moeten nemen. Over ons krampachtig zoeken naar het geluk.”

 Hoe ga je om met de liefde?

 Ik denk dat al mijn relaties wel enigszins leden onder mijn complexiteit. Ik ben ook geen heilige. Zonder dat ik het op dat moment zelf in de gaten heb, ben ik in het samenzijn soms heel egoïstisch. Ik heb het idee dat ik voor mezelf zoveel energie nodig heb, waardoor ik weinig overschot heb voor mijn partner. Ik ben constant op zoek naar een evenwicht in mezelf en dreig zo, zonder kwade bedoelingen, de ander te vergeten.”

 Je analyseert jezelf wel streng. Denk je nog met de nodige onbevangenheid in een relatie te kunnen stappen?

 “Ik heb alleen schrik voor gelatenheid. Ik zou liefst van al aan een nieuw avontuur kunnen beginnen. Maar dan wil ik mij goed in mijn vel voelen. Ik wil open staan. Vrolijk zijn. Naïef misschien ook. Dat is nu even niet aan de orde, maar ik geloof wel dat je uit voorbije relaties kunt leren. Uit elke mislukking komt altijd wel iets positiefs voort.”

 Hoe ziet het geluk er voor jou uit?

 “Als ik wakker en luidop mag dromen, dan wil ik tevredenheid. Simpelweg content zijn met mezelf. Ik wil een manier vinden om de huidige verwarring te relativeren. Vooral dat eigenlijk. En niet teveel conflict, binnen of buiten mezelf. Want ik kan niet tegen ruzie. Dan neemt mijn Kempense zwijgzame natuur het over en klap ik dicht. In het ideale scenario staat er iemand aan mijn zijde die dat slag situaties oplost. Iemand die zorgt dat ik gewoon kan spelen en zich bekommert over al de rest, uit liefde. Ik wil gesoigneerd worden, zoals een coureur.”

 Gezocht: een liefdespartner, schuine streep manager, schuine streep masseur?

 “Alles in één, dedju. Die gasten uit de koers hebben het toch nogal voor mekaar. Niet zelden denk ik: waar blijven mijn soigneurs? Niet eentje, maar tien wil ik er. Al zou dat ook weer best beklemmend kunnen gaan werken na een tijdje. Ach, ik wil gewoon goed omringd zijn. En ik wil graag gezien worden. Dat wil toch iedereen?”